Kerkgebouw Sint Jan de Doper

De kerk is het werk van de Haarlemse architect Petrus Johannes Bekkers (1859-1918). Bekkers was een leerling van de grote bouwmeester P.J.H. Cuypers (1827-1921). Zo hielp Bekkers Cuypers bij de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam. In tegenstelling tot Cuypers die alles (exterieur, interieur als ook gebruiksvoorwerpen) ontwierp, hield Bekkers zich uitsluitend bezig met het gebouw. Hij bouwde in Reusel, Eindhoven, Amsterdam, Haarlem en Nieuwe Niedorp. De Sint-Jan-de-Doperkerk in Noord-Scharwoude is de laatste grote neogotische kerk die Bekkers ontwierp en bouwde. De bouwwerkzaamheden van de kerk werd aan de firma Van Bakkeren uit Princenhage gegund.

Na de goedkeuring van de bouwtekeningen werd op 18 maart 1905 de eerste van de 851 houten palen geslagen. Vervolgens werd op 29 mei door de pastoor de eerste steen van de fundering gelegd (een gedenksteen in het voorportaal herinnert hier aan). In april 1906 was het (bouw)werk gereed en op 26 september 1906 werd de kerk in gebruik genomen. Zes maanden later, op 29 april 1907, werd de kerk door Mgr. A.J. Callier, Bisschop van Haarlem, plechtig ingewijd. De twaalf wijdingszegels in de kerk – symbool voor de twaalf apostelen – herinneren hier aan. Ze bevinden zich op zichtbare hoogte in de muren van de kerk. De bouw en inrichting van de nieuwe kerk kostte uiteindelijk 165.348,00 gulden (waarvan het aannemingsbedrag 126.400,00 gulden bedroeg).
Bouwpastoor van de kerk was Johannes Jacobus Mes. Geboren in 1838 in Middelburg werd hij in 1864 priester gewijd. Hij was kapelaan in Groenendijk, ’s-Heerenhoek en Amsterdam. Hij overleed op 11 november 1906 op 68-jarige leeftijd in Noord-Scharwoude en werd als eerste vanuit de nieuwe kerk begraven in het priestergraf op het achter de kerk gelegen kerkhof. In de linkerzijbeuk is een herinneringsmonument aan deze voor Langedijk belangrijke pastoor.

Omdat er weinig ruimte was tussen de Voorburggracht en de Dorpsstraat aan de voorzijde en de Achterburggracht aan de achterzijde, is een kerk in de breedte ontworpen. Het kerkgebouw is 46,5 meter lang en 37 meter breed. De toren is 56 meter hoog. De kerk is ‘zuiver geörienteerd’, ad orientem, d.w.z. dat het altaar aan de oostkant van de kerk staat (en de hoofdingang op het Westen is). De priester keek bij het misoffer aan het altaar richting het Oosten.
In de loop van de tijd is er weinig aan de kerk veranderd. De ‘vernieuwingsdrang’ van de jaren zestig en zeventig heeft dit kerkgebouw niet aangetast. Wel is in 1975 het priesterkoor vergroot. De kerk biedt nu plaats aan ongeveer 1000 personen.
Naar bovenkijkend ziet u het stenen plafond, de gewelven van de kerk. Daarboven bevinden zich de houten dakconstructie.
De gewelven worden gesteund door twintig pilaren van rood gekleurd graniet op hardstenen steunen. Deze pilaren zijn afkomstig uit Zweden. Het priesterkoor is aan de zijde van de apsis omzoomd door zes kleinere blauwgrijs gekleurde granieten zuilen. Het gebruik van pilaren was een uitdrukkelijke wens van de bouwpastoor. Een verhaal vertelt dat deze pastoor de zuilen persoonlijk heeft betaald. Later bleek uit archiefstukken dat het kerkbestuur de rekening heeft betaald. De zussen van pastoor Mes, die tijdens de bouw van de kerk ernstig ziek was, hebben voorkomen dat het familiekapitaal op deze wijze zou verdwijnen. Als doekje voor het bloeden schonken de zussen het Piëtabeeld.
Kenmerkend voor deze architect is het gebruik van rode en gele bakstenen. Wel is deze kerk soberder uitgevoerd dan andere ontwerpen van Bekkers.


Van achter in de kerk naar het interieur kijkend ziet u een grote symmetrie, met het hoofdaltaar in het midden. Omdat in de kerk vroeger de mannen gescheiden zaten van de vrouwen sprak men vaak van de vrouwenkant (links) en de mannenkant (rechts), nu wordt wel eens gezegd de ‘koude’ of ‘noord’kant en de ‘pastorie’kant. De kerkbanken achterin worden ook wel armenbankjes genoemd. Ze zijn soberder dan de gewone kerkbanken. Het was vroeger gebruikelijk om plaatsengeld te betalen voor een zitplek in de kerk. Voor de armenbanken hoefde niet betaald te worden.

De bouw van de kerk werd mogelijk door vele giften van de parochianen en van pastoor Mes zelf. Hij was een gefortuneerd man en doneerde regelmatig om de bouw van de kerk mogelijk te maken. Zo zijn de grote glas-in-lood kerkramen in de apsis door hem betaald. Om de kosten te drukken werden vele gebruiksvoorwerpen uit de oude kerk hergebruikt in de nieuwe, zoals het orgel, de communiebanken, de liturgische gebruiksvoorwerpen en dergelijke.